De schuilkelder van het Vossenplein

 

Ingang van de kelder tegenover de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk

Decennialang was de schuilkelder een vergeten plek onder het Vossenplein, tot de Brusselse administratie er toevalligerwijze weer de aandacht op vestigde. Vandaag bewijst de kelder op een vreemde manier zijn nut. Niet om de mensen uit de wijk te beschermen, die al heel wat hebben meegemaakt, maar om de eer te redden van de bedenkers van het ‘parkingplan’ dat nooit werd doorgesproken met buurtbewoners en erfgoedliefhebbers. Een cruciale fout, want de voorziene werken voor dat stedenbouwkundig plan, waaronder de afbraak van de schuilkelder, stootten op zwaar verzet uit de buurt. Men heeft blijkbaar weinig geleerd uit de jaren 1860[1], toen de bewoners van de Marollen zich al even fel verzetten tegen de gedwongen onteigeningen bij de uitbreiding van het Justitiepaleis. Sinds de bouw van de gigantische mastodont in 1883 in de straten en steegjes van de Galgenberg, is de strijd voor het behoud van de wijk verbonden met de term Schieven Architek. De term bleef hangen en is nog steeds een van de ergste scheldnamen in het dialect van de Marollen. Wie het respect van de bevolking wil winnen, vermijdt dus maar beter die naam[2]. Voor de activisten die ijveren voor de bescherming van het erfgoed, doet het historische aura van de schuilkelder dienst als schild: het blijkt een doorslaggevend argument tegen de vage plannen voor de herinrichting van het stadscentrum en houdt voorlopig de graafmachines, betonmolens en het drukke autoverkeer weg. Het ultieme scheldwoord is dus nog niet gevallen.

De Dienst voor Schuilplaatsen, opgericht op 17 februari 1941[3], bouwde in 1942 de kelder om de wijkbewoners te beschermen tegen de bombardementen die sinds de Duitse inval van 10 mei 1940 Brussel troffen, net als de rest van het land (rangeerstation van Schaarbeek, vliegveld van Evere). Vanaf 1941 vielen er steeds vaker bommen, als gevolg van de geallieerde luchtaanvallen gericht op industriële of militaire doelwitten die belangrijk waren voor de Duitsers[4]. Op de landing van 6 juni reageerden de Duitsers vanaf 13 juni 1944 met vliegende V1- en V2-bommen. Die waren bedoeld voor Engeland, dat weliswaar zwaar werd getroffen, maar ook ons land deelde in de klappen. In de Brusselse vijfhoek sloeg op 8 november 1944 één V1-bom in, midden in de blok onder het Justitiepaleis, tussen de Minimenstraat en de Hoogstraat. Naast de aanzienlijke materiële schade die de bom aanrichtte[5], liet ook een vrouw van 42 het leven.

Toegangsgat tot de schuilkelder

De schuilkelder beslaat een ruimte van ongeveer 300 m2 en is 35 meter lang. Er zijn twee ingangen, waarvan eentje is uitgerust met een lange ladder en zich tegenover de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk bevindt. De kelder beschikte over water en elektriciteit, er waren sanitaire voorzieningen (wasbakken, toiletten, douches) en houten bankjes (die staan er nog steeds). Mensen konden er dus langere tijd verblijven. Na de oorlog, in 1945, werden de toegangen dichtgemetseld. Vandaag is de kelder slechts bereikbaar via een onopvallend tankdeksel dat voor een riooldeksel zou kunnen doorgaan.

De eerste keer dat iemand de site betrad sinds het einde van de oorlog, was op 9 augustus 1995. Michel van Roye, toenmalig schepen van Openbare werken, wilde de stabiliteit van de ondergrond testen met het oog op verbouwingswerken aan het plein erboven. Meer dan tien jaar later, in maart 2008, keerde hij terug en toonde hij de schuilkelder aan de nieuwe schepen van Openbare werken, Ahmed El Ktibi. Na hun gezamenlijke bezoek opperden El Ktibi en van Roye het idee om de kelder in te richten als ‘oorlogsmuseum’.

Fotograaf en stadsverkenner Sylvain Margaine[6] (her)ontdekte de schuilkelder enkele jaren later. Omdat de site volgens hem beschermd moet worden, bezorgde hij een aantal foto’s aan de pers[7] waarin te zien is hoe goed de plek bewaard is gebleven: je ziet de staat van de toiletten en de witgeschilderde letters op de muren (‘Verboden te wateren’, ‘Verboden te spuwen’ in beide landstalen). Moest de schuilkelder toegankelijk zijn voor het publiek, zouden bezoekers zich kunnen voorstellen hoe de mensen zich voelden tijdens de oorlog, als ze gingen schuilen voor luchtaanvallen.

D.W.


[1] La bataille des Marolles, documentaire van Pierre Manuel & Jean-Jacques péché, 1969, 60 min.

[2] Curtio (George Garnir), Zieverer, Krott & Cie, Architek !, Baedeker de physiologie Bruxelloise à l’usage des Étrangers, Brussel: Libro-Sciences, 1975, 68.

[3] Georges Lebouc, Bruxelles occupée ou la vie quotidienne sous l’occupation allemande, 180e éditions, 2014, 145.

[4] Idem, 149.

[5] Idem, 167.

[6] http://www.forbidden-places.net

[7] Vgl. de bijgevoegde artikels van Brussels Life.be en Indymedia.