Sophie Poznanska en het Rode Orkest

 

Jean Volderslaan 32 (Sint-Gillis)

Sophie (Zosha) Poznanska wordt geboren in 1906 in Kalisz, Polen. In 1925 emigreert ze met een groep van de Hashomer Hatzair, een links-zionistische jeugdbeweging, naar Palestina. Ze trekt naar de Kibbutz Dalet, waar ondertussen haar broer Olek zich heeft gevestigd. Daar ontmoet ze Leopold Trepper, het toekomstige hoofd van het Rode Orkest, die ook in Polen is geboren en in hetzelfde jaar naar Palestina trok. Een jaar later, in 1925, ruilen ze om ideologische redenen de kibboets voor Tel-Aviv. Trepper richt er een communistische cel op, Sophie Poznanska sluit zich aan. Enkele maanden later reist Trepper van Palestina naar Parijs en Brussel, terwijl Sophie terugkeert naar Polen om haar familie en geliefde weer te zien. Ze blijft de hele tijd actievoeren. In december 1927 gaat ze opnieuw naar Tel-Aviv om zich te engageren binnen de ondergrondse Palestijnse communistische partij (PCP), waar ze haar vuurdoop krijgt. Als dienstbode bespioneert ze een Britse politie-officier die op communisten jaagt.

Trepper maakt zich zorgen over de opkomst van het nazisme en acht de tijd rijp om de strijd aan te binden met wat hij beschouwt als het grootste gevaar dat de mensheid ooit heeft bedreigd. Vastberaden om het gevecht vanaf de frontlijn te voeren, zo vertelt hij in zijn memoires, neemt hij contact op met de inlichtingendienst van het Sovjetleger in Moskou. Generaal Jan Berzin, politiek commissaris en directeur van de inlichtingendienst van het Rode Leger (GRU), toont interesse en draagt Trepper in 1937 op om een spionagenetwerk verder uit te bouwen dat de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog het Rode Orkest zullen noemen.

Jean Volderslaan 32

Samen met partners Jules Jaspar en Léo Grossvogel richt Leopold Trepper in 1938 in Brussel de Foreign Excellent Trench-coat op, met vertakkingen in Nederland en Scandinavië. Vervolgens creëert hij in 1941 twee nieuwe bedrijven: Simexco, waarvan de vestiging in de Koningstraat 192 het kloppend hart zal vormen van het netwerk, en Simex in Parijs en Marseille.

De agenten van de Russische spionagedienst hebben informatie nodig over de economische, politieke en militaire activiteiten van nazi-Duitsland. Sophie Poznanska wordt opgeroepen door Trepper en begeeft zich naar Moskou om er een stage te volgen bij de inlichtingen. Ze leert er met radiozenders werken en boodschappen ontcijferen. De ‘Brusselse’ tak van het netwerk bestaat uit Poznanska (die zich Anna Verlinden laat noemen), Rita Arnould, Léo Grossvogel, David Kamy en Johan Wenzell. Vanuit de Atrebatenstraat 101 in Etterbeek sturen ze massa’s informatie naar Moskou, die ze vergaren in de verschillende landen waar het netwerk actief is.

De Geheime Feldpolizei (GFP) weet via radiogoniometrie de uitzendplaats te achterhalen en valt in de nacht van 12 op 13 december 1941 het gebouw in de Atrebatenstraat binnen. De aanwezige leden van het Rode Orkest worden aangehouden. Na tien maanden van opsluiting en ondervraging heeft Sophie Poznanska nog steeds de sleutel niet prijsgegeven om de uitgewisselde berichten met Moskou te ontcijferen. Ze is echter aan het eind van haar krachten. Uit vrees dat ze zou breken tijdens de volgende martelingen, hangt ze zichzelf op in haar cel in de gevangenis van Sint-Gillis op 28 september 1942. Leopold Trepper ontsnapt aanvankelijk op het nippertje aan arrestatie: wanneer hij aanbelt in de Atrebatenlaan en wordt begroet door een officier van de GFP, doet hij zich voor als straatventer. Uiteindelijk wordt ook hij gevat door de Gestapo tijdens een tandartsbezoek in Parijs, in december 1942.

Het Rode Orkest had een belangrijk aandeel in de overwinning in Stalingrad doordat het in de herfst van 1942 het Sovjethoofdwartier de plannen bezorgde van operatie Barbarossa (de inval in de Sovjetunie) en van de Duitse tank T6 Tiger. Een herdenkingsplaat in de Atrebatenstraat 101 geeft het adres aan van waaruit de groep heeft geopereerd.

Het stellige verzet en de ultieme beslissing van Sophie Poznanska dwingen respect af. Terecht wordt ze, samen met Leopold Trepper, beschouwd als held van het Rode Orkest. Geen van beiden woonde echter in de Volderslaan 32. Een ander lid van het netwerk was er gedomicilieerd: Abraham Raichmann, die zorgde voor valse papieren en identiteitskaarten. De plaat op de voorgevel vermeldt niet zijn naam, maar de volgende tekst: ‘Het Rode Orkest (1938-1942). In 1932 werd in Deutsland een anti-nazi en bolsjewistisch geïnspireerde organisatie opgericht om de USSR in te lichten over de acties van de nazi’s. Dit beroemde netwerk dat eerst diende als spionagenetwerk en later meewerkte met de resistentie was sinds 1938 actif in België en stond onder leiding van Leopold Trepper. Het werkte ten dienste van de NKVD (latere KGB) en gaf vooral via radio informatie over de Duitsers door aan Moskou en verspreidde anti-nazi pamfletten. Toen het netwerk was verraden, wird het in december 1942 door de geheime Duitse diensten (Abwehr) ontmanteld. De meeste leden werden naar concentratiekampen gedeporteerd. Twee schuilplaatsen van het netwerk, waaronder de schoenmakerij op het nummer 32 in de Jean Volderslaan waren in Sint-Gillis gelegen.’

De plaat op de voorgevel

Een aantal zaken vragen om verduidelijking. Allereerst: waar bevond zich de andere schuilplaats van het Rode Orkest in Sint-Gillis? We vonden een aanwijziging in een uitnodigingsbrief voor een evenement ter ere van Sophie Poznanska, waarin Sarah Goldberg wordt vernoemd (foto). Voor zover wij weten, was zij echter gedomicilieerd in de Riddersstraat 27 in Elsene en werd ze samen met Henri Wajnberg aangehouden in de Steenbeukstraat 50 in Vorst, waar ze enkele nachten verbleef bij haar vriendin Lola Rabinowicz. Verder merken we op dat, net zoals het woord ‘pianist’ codewoord was voor radio-operator, de ‘schoenmakerij’ verwees naar het kantoor van de expert in valse papieren.

Waarom vermeldt de plaat dan Sophie Poznanska en Leopold Trepper, maar niet Abraham Raichmann die nochtans als enige op dit adres woonde? Raichmann werd op 2 september 1942 opgepakt door de GFP en naar Breendonk gevoerd, waar hij zwaar werd gemarteld. Om te overleven, moest hij praten. Dat betekende ook: meewerken met de Gestapo. Zijn houding, die lang niet zo heroïsch was als die van Sophie Poznanska, stelde zijn kompanen sterk teleur, om het zacht uit te drukken. Dat is dan ook de reden waarom er op het adres in Sint-Gillis wel een verwijzing is naar de activiteiten van het Rode Orkest, maar niet naar Raichmann, ondanks diens belangrijke rol in het netwerk tot aan zijn arrestatie. Hij beschaamde het vertrouwen dat Leopold Trepper in hem had gesteld: ‘Raichmann ondernam toen een laatste poging om zich weer in de groep te werken. Aan Katz droeg hij op mij te vertellen dat hij wist dat wij de strijd voortzetten, en dat hij spijt had van zijn gedrag. Hij beweerde dat zijn vrouw en zoon werden bedreigd, en dat zijn baas Efremov hem had verraden en aangegeven, hem en de anderen. Hij wilde iets doen, het goedmaken… Katz deed alsof hij het niet begreep. We konden hem onmogelijk vertrouwen. Hij had ons één keer verraden, hij zou ons morgen zo opnieuw verraden. Hij had eigenhandig elke uitweg voor zichzelf geblokkeerd. Wanneer men is overgeleverd aan de genade van de vijand, zijn er maar twee opties. Tussen collaboratie en verzet gaapt een onoverbrugbare kloof. Je wisselt niet zomaar het ene in voor het andere.’[1]

De plechtigheid van 29 september 2013 © D.W. / VZW Auschwitz in Gedachtenis

Elk jaar rond 29 september, de sterfdag van Sophie Poznanska, houdt de ‘club Jean Volders, Présence et Action culturelle et la Continuité de l’Union des Anciens Résistants Juifs de Belgique’ een plechtigheid voor het gebouw om de rol van de communisten te herdenken in de strijd voor de bevrijding van het land.

In het Gedenkteken van het Fort van Breendonk bracht de Russische ambassadeur Vadim B. Lukov op 13 december 2006 een pakkend eerbetoon aan de leden van het Rode Orkest, waarvan velen op die plek waren terechtgesteld. Hij onderstreepte het belang van de operaties die het netwerk van Leopold Trepper en Anatoli Goerevitsj, samen met Léo Grossvogel, Hillel Katz, Mikhail Makarov, Henry Robinson, Hersch, Mira Sokol, Isidore Springer en Sophie Poznanska, had uitgevoerd in België, Frankrijk en Nederland.

DW

 


[1] Leopold Trepper, Le Grand Jeu. Mémoires du chef de l’Orchestre Rouge, Parijs, Abin Michel, 1975, p. 232 (vertaling AS).